Aardigheid

 

Onhandig manoeuvrerend stommelt het oudere echtpaar naar de uitgang van de kringloopwinkel. Mevrouw duwt een buggy met met daarin een teckel naar de smalle deur. Meneer volgt, en weet eigenlijk niet waar hij hun wandelstokken en andere teckel die hij aan de lijn heeft moet laten. Ik zie zijn blik naar de deur gaan en schiet te hulp. ‘Zal ik de deur even voor u open houden?’ Dankbaar kijken ze me aan. Nu nog het afstapje en de volgende deur en dan staan we allemaal buiten. Ik loop naar mijn fiets en doe de vrolijk gekleurde kaarsen die ik gevonden heb in mijn fietstas. De teckel trekt aan zijn uitlooplijn en komt mijn kant op. Meneer grapt: ‘Hij wil met u mee!’ Ik zeg: ‘Ik ben een aardige mevrouw! Dieren voelen dat.’ Lachend fiets ik weg.

De woorden blijven in mijn hoofd naklinken. ‘Een aardige mevrouw.’ Sinds enige tijd ben ik blijkbaar ook in mijn eigen beleving een mevrouw geworden. Nu ik mijn grijze haren toon kom ik er voor uit dat ik een zekere leeftijd bezit. Aardig ben ik al wat langer. Opgevoed door ouders die het normaal vinden om iets voor een ander te doen, is het ook bij mij een gewoonte geworden om om me heen te kijken wie ik kan helpen. Het levert altijd meer op dan het kost.
#doeslief; de campagne van Sire om Nederlanders bewust te maken van onaardig gedrag, lijkt in Zutphen niet zo hard nodig te zijn. In de Achterhoek is naoberhulp een prachtig voorbeeld van omzien naar elkaar. Samen zorgen voor begrafenissen en bruiloften. Maar ook in het klein weten wie een handje hulp kan gebruiken. Overal zijn hufters maar hier zijn er minder. Groeten op straat, zomaar even contact maken terwijl je in een winkel staat, een galant gebaar, iets lenen van een buurtgenoot; doorsnee Achterhoeks gedrag. Omzien is meeleven met wie je kent maar ook het zien van wie je net ontmoet op straat. Aardig zijn begint met kijken.

 

Simone van der Lans

Grip

 

 

Loslaten lijkt het tegenovergestelde van grip houden. Je laat los wanneer je zegt en voelt dat wat er ook gebeurt het goed is zoals het gaat. Grip houd je wanneer je meer planmatig je leven leidt. In de bijbel staat een verhaal over Ruth die beide dingen diep doorleefd heeft. Het inspireert ons te kijken naar wat er gebeurt als alles op zijn kop lijkt te staan en je je leven opnieuw vorm moet geven.

 

Ruth is een vrouw die zowel leeft vanuit grip als loslaten. Er zijn haar verschrikkelijke dingen overkomen. Haar man is al vroeg overleden waardoor ze nu een jonge kinderloze weduwe is. Wanneer haar schoonmoeder, die ook weduwe is geworden, na een tijdje aankondigt terug te gaan naar haar land van herkomst, wordt het gevoel van er alleen voor te staan nog sterker voor Ruth. Ze besluit mee te emigreren met haar schoonmoeder. Een dapper besluit want hiervoor geeft ze de zekerheden op van familie, afkomst, taal en inkomsten. Ruth laat veel los voor een ongewisse toekomst. Is het willen blijven bij haar schoonmoeder haar zoveel waard? Ruth geeft ons de ware reden prijs. Ze voelt zich verbonden met het geloof van haar schoonmoeder Naomi, een Israëlitische vrouw. De goden van Moab, waar ze geboren is, heeft ze losgelaten en de God van Israël omarmt. Met die zekerheid in haar hart zet ze de stap.

 

Eenmaal in Israël aangekomen wordt haar besluit beproefd. Waar moeten ze wonen en waar zullen ze van eten? Welke toekomst is er weggelegd voor een mooie jonge vrouw als Ruth? In die tijd is het niet gebruikelijk dat een vrouw een baan of onderneming heeft. De enige manier om zeker te zijn van inkomsten lijkt het opnieuw huwen van een man of anders de prostitutie in. Naomi vertelt Ruth dat de God van Israël dit niet wil voor vrouwen die in een situatie verkeren zoals zij. Er is een regel waar ze aanspraak op mogen maken. Waar ze alles verloren lijken te hebben geeft dit hen houvast. Ruth mag naar een familielid gaan van Naomi. Hij kan hen helpen door het land dat van Naomi’s man was over te kopen en Ruth te huwen. Zo blijft het land in de familie en zijn de vrouwen verzekerd van inkomen en status.

 

Nogmaals geeft Ruth zich over aan de situatie en gaat op weg naar de gerstakker van Boaz; het familielid. Ze vertrouwt op het oordeel van Naomi en de regels van dit nieuwe land. Wanneer Boaz haar opmerkt is hij vriendelijk voor de buitenlandse vrouw. Algauw wordt hij verliefd op haar en wil met haar trouwen. Door alles meermaals los te laten verkrijgt Ruth opnieuw grip op haar leven. Achter het los laten ligt haar vertrouwen op God dat haar moed geeft.

 

 

Door Simone van der Lans

Leven (2)

 

Ik hou van mezelf. Dat is wat Natalie uiteindelijk verbaasd over zichzelf zei in de film die ik gisteravond keek. Een persiflage, met een goed geobserveerd randje van waarheid, op een romantische komedie. Haar leven verandert na een valpartij waarbij ze buiten bewustzijn raakt, in een door haar gehate romantische komedie. Volgens Natalie is het onrealistisch dat haar leven leuk en vol liefde kan zijn. Uiteindelijk blijkt dat een gelukkig leven begint bij de ontdekking dat het goed is om van jezelf te houden en zo de dag in te stappen. ‘Isn’t it romantic’ is de titel van de film, voor wie wil weten hoe dat zit.

 

Ik ben aardig. Het was deze week dat ik voor het eerst werkelijk voelde dat ik echt aardig ben. Tot nu toe heb ik altijd over mezelf gedacht dat ik aardig kan doen. Maar dat ik in werkelijkheid niet aardig ben. Dat zijn anderen wel, maar ik niet. Ik doe aardig omdat het zo hoort, of als een goede daad, of om iemand een plezier te doen of uit berekening. Met een schokje voelde ik de waarheid binnenkomen: Ik ben aardig. Ik kan je vertellen dat het een aardverschuiving is en ik me aangemoedigd voel verder te kijken naar wie ik echt ben. Los van aannames over mezelf.

 

Leven vanuit zelfliefde. Het klinkt egocentrisch maar dat is het niet. De basis van een liefdevol leven ligt in het kunnen houden van jezelf. Bekijk jezelf met vertedering en je ziet een mens die zijn best doet. Accepteer dat je weleens een steek laat vallen maar reken jezelf er niet op af. Voor je het weet zit je gevangen in overtuigingen die het je steeds moeilijker maken met liefde naar jezelf te kijken. Liefde voor een ander kan alleen groeien op grond van zelfliefde.

 

Simone van der Lans

Leven (1)

 

Leven moet je leren. Na de eerste ademteug zit je op de leerschool van het leven, zonder weekend of vakantie. ‘Door schade en schande wijs’, heet die school. Dus als je oud bent en bijna van school af mag ben je wijs. Zoals iedereen heb je in je leertijd schade opgelopen en regelmatig voor schut gestaan. Jong was je toen je je eerste stappen zette in de school. Vol verwondering en levenslust stortte je je naar binnen. Leefde erop los. Naarmate je van het leven leerde werd je voorzichtiger. Je telt je zegeningen en hebt je bedenkingen. Een hoofd vol overtuigingen waarmee je het leven afweegt en beoordeelt. Wijsheden, zogezegd.

 

Tijdens Levenswandel lopen we met een groepje mensen door het bos. We leren van de natuur en van elkaar door onze wijsheid en onwetendheid te delen. Samen verwonderen we ons over hoe de natuur het leven spiegelt of voordoet. Tijdens het thema ‘De aarde als thuis’ mediteren we in stilte onder het wandelen over twee vragen. ‘Voel je je thuis op aarde? Voel je je thuis bij God?’ Bij het laatste stuk van de tocht spreken we hier in tweetallen over. Het innerlijk luisteren en het ervaren van de weldadige stilte om ons heen hebben ons inzicht gegeven in de vragen.

 

Opmerkelijk was dat van de vijf mensen die er waren; het regende, er drie vanuit hetzelfde levensthema naar de vragen hadden gekeken. Namelijk ‘overgave’ aan het leven. Hoe meer overtuigingen je opdoet in het leven, hoe moeilijker het wordt om je aan het leven over te geven, werd er gezegd. Overtuigingen hebben de neiging je vast te zetten. Je meebewegen met de stroom van het leven, zoals je als kind deed, is een kunst die je gemakkelijk verleert. Een van de vrouwen memoreerde nu en dan hardop te zeggen: ‘Uw wil geschiede.’ Het herinnert ons eraan te leven in overgave. Ervan overtuigd dat de Meester van de leerschool het goede met ons voorheeft.

 

Simone van der Lans

Genezing

 

 

Er was eens een koning die ver van zijn koninkrijk vandaan leefde. Hoe dat zo gekomen is, is een lang en droevig verhaal. Dat vertel ik je misschien een andere keer.

 

De koning had vaak heimwee naar zijn mooie land. Hij miste de prachtige wilde rivieren en de uitgestrekte wouden. De rijke steden en welvarende landerijen. Maar het meeste van alles miste hij zijn tuin. De tuin waarin zijn paleis stond was de schoonste plek op aarde; meende hij. Hoe vaak je er ook rondliep, telkens weer bleef je je verwonderen over de prachtige bloemen die ’s avonds vaak heerlijk geurden. Over de lieflijke vijvers waarin grote bomen zich spiegelden. Of de paden die geheimzinnig rondslingerden en plotseling een doorkijkje boden naar het statige paleis. De koning zuchtte diep. Het was een wonderschone tuin, zo mooi als nergens anders, maar het verbleekte allemaal bij de boom die in het midden van de tuin stond. Als hij toch eens een manier wist te verzinnen om bij die boom te komen. Diep in zijn hart wist de koning dat hij de boom nooit terug zou zien.

 

Op de verdieping boven hem hoorde hij schrapend een stoel terugschuiven over de houten vloer. Voetstappen daalden de trap af. Vlug haalde de koning zijn mouw langs zijn ogen. Het meisje dat voor zijn zoon zorgde kwam binnen. Het was een gewoon meisje uit het dorp, maar handig en zorgzaam. Hij had geen geld voor een echte verpleegster. ‘Hoe gaat het met Eduard?’ vroeg hij. Het meisje haalde haar schouders op. ‘Hetzelfde als vanmorgen, majesteit. De koorts verzwakt hem steeds meer, hij wilde maar een klein slokje van de bouillon drinken.’ Moedeloos wendde de koning zich van haar af naar het venster. Terwijl hij uit het raam staarde vroeg hij zich af hoelang zijn zoon, prins Eduard, nog te leven had. Met een ruk draaide hij zich terug naar het meisje. ‘Jij moet op zoek gaan naar de boom met de leven brengende bladeren!’ Barstte hij uit. ‘Ik kan niet gaan; op straffe van de dood ben ik verbannen uit mijn vroegere koninkrijk. Maar jij; zou jij alsjeblieft willen gaan?’ Smekend klonk zijn stem nu. ‘Wil je me helpen het leven van Eduard te redden?’ Aarzelend keek hij haar aan. Wat kon hij haar beloven als beloning? Bitter stak hij zijn handen in zijn lege zakken.

 

Als er iemand was die hij vertrouwde en verstandig vond in dit vreemde land was zij het. Een meisje liefdevol en zuiver van hart als Clara zou de weg vinden die voor hem afgesloten was. Verward keek Clara hem aan. Ze zou alles ervoor over hebben om de ogen van Eduard weer naar haar te zien lachen. Maar wat zou het helpen een boom te zoeken hier ver vandaan? Ze nam een besluit. ‘Majesteit, waar staat die boom waarover u sprak?’ De koning wenkte haar naar de tafel te komen. Daarop rolde hij een kaart uit. Tot het donker werd waren ze druk in gesprek verwikkeld om de reis voor te bereiden. Nog eenmaal drukte de koning haar op het hart naar het midden van de tuin rond het paleis te gaan. Alleen daar staat de levensboom. Ze zou hem herkennen zodra ze hem zag, verzekerde hij haar. Het was een boom als geen ander. De bladeren geven een zachte glans af en de bloesems geuren onvergetelijk. Ze hoefde maar een blad te plukken en het was genoeg om een geneeskrachtige drank voor Eduard te maken.

 

De weg was lang maar haar hart licht en zo kwam het dat Clara na vele dagen lopen verwachtingsvol aan de grens van het koninkrijk stond. Nu hoefde ze alleen nog maar deze heuvel over te gaan en dan zou ze de tuin zien liggen. De vermoeidheid viel van haar af bij het zicht op het einde van de reis. ‘Eduard; hou vol,’ zei ze in gedachten, ‘straks kom ik terug; met het kostbare blad in mijn tas!’ Terwijl ze de heuvel opliep overviel haar een rilling. ‘Wat zou er kunnen gebeuren als ik een blad van de levensboom pluk?’, dacht ze. De koning had haar er niets over kunnen vertellen; hij had nooit iets van de boom nodig gehad terwijl hij in zijn paleis woonde. Het was een tijd van geluk, vrede en gezondheid, zoals hij nu niet meer kende. Stevig stapte Clara door, de heuvel af. Ze moest zich geen zorgen maken, maar zorgen dat ze bij die boom kwam, sprak ze zichzelf toe. Het was precies zoals de koning gezegd had, aan de voet van de heuvel begon een loofbos.

 

Terwijl ze de eerste bomen naderde kneep Clara haar ogen iets toe. Er scheen een wit licht tussen de stammen door. Het straalde steeds feller en heviger zodat ze uiteindelijk struikelend tot stilstand kwam. Met een bonzend hart tuurde ze vanonder haar arm, die ze voor haar gezicht had geslagen, naar het schijnsel. In een kring van stralend licht stond een figuur voor haar die in zijn handen een zwaard liet rondwentelen. De vlammen dansten rond het zwaardblad dat alsmaar cirkels beschreef. Clara deinsde met een kreet achteruit en wilde terugrennen de heuvel op, maar een stem hield haar tegen. ‘Clara, wees niet bang. Je liefde voor Eduard heeft je tot hier gebracht. Verder is niet nodig. Keer terug en geef hem wat je bij je draagt.’ Ze voelde zijn strenge en wetende blik op haar gericht terwijl ze de bosrand uit strompelde. In het gras aan de andere kant van de heuvel zonk ze neer. De tranen stroomden over haar wangen terwijl ze aan de gesp van de leren tas frunnikte. Ze keerde hem om boven haar schoot en zocht tussen haar reisspullen. Er zat niets bij wat Eduard zou kunnen helpen.

 

De weg was lang en zwaar en het was verder lopen dan ooit. ‘Wat ik bij me draag,’ mompelde Clara toen ze het eenvoudige huis aan de rand van het dorp naderde. Ze had een naar gevoel in haar buik toen ze de deur opende. Het was stil in huis. Clara sloop de trap op en opende voorzichtig de deur van Eduards kamer. Ze zag hem op de rand van het bed zitten, met zijn hoofd in zijn handen. Stil keek ze toe. Zou ze naar binnen durven gaan en vertellen dat ze met lege handen terug was gekomen? Eduard moest iets gehoord hebben, want hij keek op en zijn blik trof de hare. ‘Clara, je bent terug!’ Riep hij uit. Hij sprong van zijn bed en rende naar de deur. Clara bleef als verlamd staan. Eduard pakte haar hand en zei opgetogen dat hij twee weken geleden plotseling beter geworden was en vanaf die tijd uren voor het raam had gestaan om te zien of ze er al aan kwam. ‘Maar, hoe kan dat,’ hakkelde Clara, ‘ik heb geen blad.’

 

In gedachten hoorde ze de stem die zei dat ze terug moest keren en Eduard geven wat ze bij zich droeg. Liefde en verlangen stroomden door haar heen terwijl Eduard haar tegen zich aantrok. Wat ze te geven had was er al voor ze op reis ging, besefte Clara.

 

Simone van der Lans

Aarde als thuis

 

Zeg jij ’s avonds weleens dat je een perfecte dag achter de rug hebt, waarop echt alles gelukt is wat je hebt gedaan? Heb je dat weleens een week lang elke avond kunnen zeggen? Zo ja, dan wil ik je graag leren kennen, want je bent een heel bijzonder mens. Zo nee, welkom in mijn wereld. Waar goede voornemens nog voor de eerste kop koffie sneuvelen. Waarin ik de kantjes er vanaf loop, zelfzuchtig ben en geneigd tot de middenmaat. Eigenlijk net als mijn buren en de mensen die daar weer naast wonen.

 

Zo wil ik mezelf niet zien en heus, het lukt me af en toe het beter te doen door aardig te zijn, harder te werken en ik kan me nog goed herinneren dat ik laatst geld gaf aan een zwerver. Om eerlijk te zijn blijft dat leuke beeld van mezelf overeind doordat het fijn is mezelf zo te zien. De waarheid is dat ik vaak kansen laat gaan om de dingen beter te doen. Even van m’n fiets afstappen en dat bierblik uit de berm oprapen. Elke keer dat ik die zwerver zie, en dat is vaak, geld geven en dus ook een praatje maken, wat ik toe nu toe niet durf.

 

Weet je wie pas van zichzelf kan zeggen dat Hij het goed doet? God! In de bijbel staat dat Hij zes dagen bezig was met het maken van de aarde; dat megagrote kunstwerk. Toen het af was zei Hij helemaal tevreden dat het zeer goed was. Jammer dat wij de aarde ondertussen zo verkloot hebben, maar dat doet niets af van Gods goede bedoelingen. Hij heeft de aarde voor ons gemaakt als huis. Beetje uitgewoond ondertussen helaas. Nou ja, zo gaat dat. God snapt toch ook wel dat we de milieuproblemen niet zomaar op kunnen lossen. Trouwens, dat is een taak van de overheid.

 

Ehm, volgens mij hebben niet alleen Adam en Eva, als eerste twee mensen op aarde, de uitnodiging van God gekregen die te bewonen en te bewaren. Bij sommige mensen leek dat te blijven hangen als bewonen en uitbuiten. Bewaren, dat heeft te maken met zuinig zijn en nadenken over de gevolgen. Ook leuk voor je kinderen als er een leefbare aarde blijft bestaan om over te nemen als ze groot zijn. In de loop van de tijd heeft God geregeld profeten gestuurd als richtingaanwijzers. Zij legden namens Hem nogmaals uit hoe we het anders konden doen. Dat ging vaak over sociale gerechtigheid en over recht doen aan de aarde als thuis. Even weer bij de les komen. Ik ken geen profeet tegenwoordig, maar gelukkig is er internet waarop ik kan lezen wat je met duurzaamheid kan doen en zo. Morgen ga ik ff een actieplan maken voor een groener leven. Nu eerst een kop koffie.

 

Simone van der Lans